‘Zo is het genoeg’.
Dat waren de laatste woorden van Jan Wolkers. Daarna viel hij in een diepe slaap waaruit hij niet meer zou ontwaken. Dat schrijft biograaf Onno Blom in Trouw.
De schrijver liet weten dat hij gecremeerd wilde worden. “En mijn as mag onder de tulpenboom, naast Knorretje. Gewoon vrij, niet in een urn. Ik ben bang dat ik anders ga roepen: help, ik wil eruit!”

tulpenboom
VN, 2006:
Knorretje, de kat, rust onder een door zijn baas vervaardigde glazen sculptuur, in de voortuin. Ja, hij heeft er echt om gehuild, zegt Wolkers. ‘Je leeft met zo’n dier’. Maar het contact met Voske, de voorganger van Knorretje, was nog hechter. ‘Net als met je eerste meisje, he’. Voske lag altijd trouw bij zijn schrijfmachine. Een geniale kat. ‘Als ik een sigaar wilde opsteken, gaf hij een tikje tegen de lucifers, zodat ik erbij kon. Hij was heel slim, kon zelf alle deuren openen. En hij was gek op voetbal. Want dan wist-ie dat ik minstens anderhalf uur voor de tv bleef zitten. Dan lag hij spinnend op mijn schoot, hopend op een verlenging. Met strafschoppen. Hij is ook op mijn schoot gestorven. Ik hoorde later van Dick Hillenius hoe bijzonder dat was. Want katten die gaan sterven kruipen meestal weg’. Voske werd gecremeerd en in een prachtige Chinese urn begraven op de Amsterdamse volkstuin van Wolkers, ‘bij een stek van een tulpenboom die Boerhaave in de zeventiende eeuw nog heeft geplant’. Toen hij naar Texel verhuisde, gingen boom en urn natuurlijk mee. Nu rusten Voske en Knorretje broederlijk naast elkaar.








oktober 25th, 2007 at 7:27 am
VN, 2006.
Terwijl Wolkers vertelt, met dat intrigerende, slepende stemgeluid dat zijn woorden een oudtestamentische nadruk geeft, blijven de blauwe ogen vrijwel onafgebroken gefixeerd op de tuin. Want kijk, daar zit een koperwiek. Zie ik hem? Daar, net achter die twee merels. ‘Kijken is heel belangrijk voor mij’, zegt hij. ‘Ik kijk altijd. Er kan mij geen vogel ontsnappen.’
oktober 25th, 2007 at 7:28 am
“Ik word meegetrokken door een innerlijke wegwijzer die me precies vertelt wat er moet gebeuren. Ik denk nooit aan wat de lezer er straks van gaat vinden, ik volg mijn eigen kompas.”
oktober 25th, 2007 at 7:29 am
“Ik was een jaar of acht toen ik van klei een soort afgodjes kneedde. Met een merkwaardig kopje en een sterk geprononceerde neus. Ze stonden op een blokje waar ik met een spijker mysterieuze tekens in kraste. Letterlijk spijkerschrift, alleen wel onleesbaar. Ik bakte ze stiekem in de kachel, haalde ze uit de as voordat mijn vader de boel om ging schudden. Een enkele keer vergat ik het. Dan zei hij: Ik heb alweer zo’n vreemd poppetje gevonden.”
oktober 25th, 2007 at 7:30 am
“Ik beleefde in die kunst toch een soort eeuwig leven, voelde de ziel, de geschiedenis van al die volken.”
oktober 25th, 2007 at 7:32 am
“Je merkt aan wat ik beschrijf dat het gezien heb wat ik beschrijf. Bij andere schrijvers denk ik vaak. Ja ja, dat zal wel.”
oktober 25th, 2007 at 7:37 am
Hoe zat dat ook weer met Rembrandt? In die tijd dat hij met Hendrickje was maakte hij toch van die gekke hoedjes? Hij schilderde zichzelf vaak bij wijze van vingeroefening met die hoedjes op. Ook een raar soort ijdelheid natuurlijk. Maar nou zag ik laatst zo’n fantastisch spotprentje in een Amerikaanse krant: ‘Hendrickje, breng me snel de malle hoofddeksels. Ik voel weer een zelfportret in me komen opborrelen.’
oktober 25th, 2007 at 7:43 am
Zijn daverende lach stuitert door de woonkamer, om vervolgens abrupt te smoren in diepe ernst en toewijding. Want - nee, sssst, daar zit een goudhaantje.
oktober 25th, 2007 at 7:43 am
“Ik denk niet dat Rembrandt op zijn sterfbed handenwrijvend heeft gedacht: die Nachtwacht komt straks in elk geval op alle koekblikjes van Nederland te staan.”
oktober 25th, 2007 at 7:44 am
“Niets is eeuwig, behalve de eeuwigheid zelf. Uiteindelijk verdwijnen ook de piramides weer roemloos onder het zand.”