Dhr. DeLuxe Says:
april 9th, 2010 at 4:56 am
Ad Hok, wat rijmt er op ‘herfst’?
Ad Hok Says:
april 9th, 2010 at 5:04 am
Dhr.DeLuxe, daar heeft Drs. P al het antwoord op gegeven:
De buren waren grimmig, zijn ouders diep gegriefd.
En onder zijn collega’s was hij ook al niet geliefd.
De oude juffrouw Zomer, baas Voorjaar, meester Herfst.
Ze riepen driewerf schande, juffrouw Zomer het driewerfst
Het gesprek van de dag is hier dat onze enige postbode gaat staken. Waarom? De brave borst rijdt nu rond met een bejaarde Renault Clio-commerciale. Bedoeling van de hoge heren van TNT is - in het kader van de vergroening én de teruglopende postmarkt - dat postbode Arthur gaat rijden op een electrische Solex-E met daarachter een remorquette, een klein lichtgewicht aanhangertje. Juist dát wil die man ronduit niet, hij is gewend na 12 uur uur overal een wijntje mee te drinken, en dan, weer of geen weer, op z’n gemak naar huis te tuffen, veilig op z’n vier vertrouwde wielen.
Kijk dat zijn pas echte problemen die de gemoederen bezighouden.
Ik zou graag raad willen in een delicate kwestie. Het gaat om een uit de hand gelopen ruzie, een ruzie met een buurman. Die buurman zegt vaak hele onaardige dingen tegen een hele goeie vriend van mij. Laatst nog, mijn hele goeie vriend heeft een prachtige geveltuin gemaakt maar Pieterse (zo heet hij niet in echt) moest daar weer zeer laatdunkend commentaar op leveren en dat doet hij nou altijd! Hij is een zelfingenomen pestkop dat kan ik je wel zeggen maar ik mag hem ook wel weer. Het is zelfs zo dat ik een beetje aan die ruzie met hem gehecht ben geraakt. Pieterse wil nu de onenigheid bijleggen, zand erover zegt hij en nu weet ik niet meer wat ik moet doen. Hier de weergave (opgetekend uit mijn niet vlekkeloze geheugen) van een gesprek dat ik eergisteren met hem had. Let goed op hij praat over zichzelf in derde persoon, dat is nogal verwarrend:
Pieterse: kies je voor zand erover en rust in de tent of ga je liever door met je dagelijkse guerrilla tegen Pieterse?
Ik: Akkoord, zand erover maar het zou mij helpen als je eens uitlegt waarom je zo onaardig tegen mijn beste vriend Apollonius doet, dat zit mij dwars. (more…)
Zat nog pas onlangs in een Métro die richting Delta ging. (Delta = Gekkenhuis 010). Tegenover mij drie bierdrinkende, zurig ruikende zwerries die met elkaar hun recept bespraken: ze waren op weg om hun medicatie op te pikken. Enthousiast werd er over Ritalin gesproken, wat mij de opmerking ontlokte dat je daar ‘zo lekker gefocust van wordt’.
Binnen één halte was ik –pak, das, pochet, handgemaakte schoenen– hun beste vriend en mocht ik geen afscheid nemen zonder een blik bier en een pilletje (mijn laatste meneer!) in ontvangst te hebben genomen, met de verzekering dat ik ‘de volgende keer’ ook de Rohypnol zou krijgen die hij zo snel niet kon vinden.
Knol is niet mijn ding, maar Rita&Beer is een klassieke cocktail, die zo onverwacht bèst smaakte!
(That reminds me: in de trein vanaf schiphol tref ik geregels Eritreeërs en Somaliërs die (4x per week!) vers aangevoerde Qat (Khat) bij zich hebben. Tassen vol. Een enthousiaste reactie, een groet en een kort gesprekje leveren geregeld een lekker bosje op.)
Wekelijks bezoek ik de enige groentenwinkel in ons dorp. Zoveel mogelijk gunnen aan de plaatselijke middenstand is ons voortdurende parool. In de smakelijk opgemaakte winkel zie ik verse tuinbonen en capucijners in de dop. Even wat meer werk dus, maar ze lijken me overheerlijk! Plotsklaps schiet me te binnen dat ik deze lekkernijen ook al vorige week heb gekocht en dat ze nog in koelkast 2 -eigenlijk onze wijnkoelkast- liggen.
‘Groentenman, u ziet me weer volgende week, nu heb ik niks nodig, we gaan een lang weekend weg’. Dan vlei ik me neer op ‘t fijne terras van ons winkelcentrumpje, bestel een lekker glas witte wijn en verheug me op het lekkere eten van vanavond. Want er staat ook nog aangebraden draadjesvlees in de koeling.
Wat kan het leven mooi zijn, zomaar midden in de week.
Zojuist is er een nachtuiltje geland op mijn tafel. Ik heb hem/haar een stukje peer gegeven.
Ik wil nu heel graag Ramirezi zijn.
Prachtig om te zien hoe de voelspriet alles aftast, en de twee voorste pootjes alles afschaven en naar binnen schuiven.
Een tiende van het blokje is al op, na een uur.
Hier wordt ik nou gelukkig van.
De belangrijkste werken in Europese literatuur worden vertaald in het Engels door Archipelago Books. Dus ook het meesterwerk ‘Eline Vere’ van Louis Couperus. Nu nog ‘Nader tot u’ van Gerard Reve. Meer suggesties? Dan geven we het door.
‘Eline Vere” first appeared in 1889, and its success launched the career of Louis Couperus (1863-1923), now regarded as the greatest Dutch novelist of his time. That may sound like faint praise. It shouldn’t. With this “novel of The Hague,” Couperus produced one of those beautifully composed, old-style realist novels that present an entire society to us while simultaneously questioning its values. If you enjoy Tolstoy or Trollope, you really should try Ina Rilke’s new translation of this superb, albeit too little-known book. [read on](more…)
Vanmiddag stond ik onverwachts bij Toos Verhuisdoos voor de deur. Als ik aanbel gaat de deur open op een kiertje. Toos [Ramirezi’s moeder] is namelijk samen met een vriendin haar flatje opnieuw aan het behangen. Normaal verhuisde ze minstens éénmaal per jaar, maar daar is ze nu wat te oud voor. In plaats van verhuizen gaat ze nu éénmaal per jaar het flatje helemaal veranderen.
In de kamer zit het nieuwe behang er al op.
“Hoe vind je dit behang eigenlijk?”, vraagt ze.
Het is een beetje kartonkleurig met verticale rijtjes zilveren balletjes.
“Als je het echt eerlijk wil weten, een beetje saai?”
“Nou, dat vond ik dus ook, kijk dit komt er overheen.”
Ik wist het, mijn moeder behangt altijd twee keer in enen. Het nieuwe behang is inderdaad een stuk mooier; witte bloemetjes. Dan bekijk ik haar eens goed. Was ze al zo grijs?
“Wat is er met je haar?”
“Oh, dat is verf, ik heb de verwarming opnieuw gespoten.”
Ik bekijk de pas een paar maanden geleden aangeschafte radiator.
“Die was toch al wit?”
“Ja, maar nu is hij meer crème..” (more…)
Toen ik jaren geleden in Polen kwam sprak ik de taal niet, kende ik kind noch kraai en voelde ik me vaak eenzaam. Tot er iemand mijn tuin in kwam en me een schaaltje fruit gaf. Hij glimlachte er verlegen bij en vertrok weer zonder een woord te zeggen. Dit was het begin van een lange hechte vriendschap. Hij liet me het bos zien, nam me mee naar de koek en zopie en later, toen ik zijn vertrouwen had gewonnen, leerde hij me het bos kennen zoals alleen lieve stropers dat kunnen.
Een jaar of twee geleden vertelde ik hem dat ik eraan zit te denken om weer eens verder op te trekken maar dat wist hij natuurlijk al. Ik zat de laatste tijd, in mezelf gekeerd, teveel voor me uit te staren maar toen ik hem eind vorig jaar vertelde dat ik weg zou gaan, brak hij en huilde als een klein kind. Ja, hij wist wel dat hij mee kon komen maar wie moet er dan ’s winters de dieren bijvoeren? Die anderen? Die hebben er toch helemaal geen verstand van. Ook dat ik mijn huis aan zou houden en vaak terug zou komen kon hem niet troosten.
Vorige week was ik even terug in Polen en ben weer met hem gaan lopen. Deze keer liep de dorpsfanfare voorop. Twee maten lopen, twee maten stilstaan en ik? Ik mocht als zijn zogenaamde beste vriend de dragers aanvoeren, brak en huilde als een kind.
Twee maten lopen, twee maten stilstaan; twee maten lopen, ……….
Ik weet echt niet wat ik meemaak hier.
Opeens staan er op een Rotterdams pleintje twintig of misschien wel veertig zwaar gehoofddoekte, zwart ingepakte vrouwen te springen en te juichen.
De wedstrijd is nét afgelopen, er wordt enorm getoeterd, er is zelfs vuurwerk, en uit de verte klinkt een enorm lawaai!
Maar die vrouwen van wie ik niet wist dat ze hier verborgen zaten, staan op straat!
En vieren onze overwinning.
Is dat niet godvergeten PRACHTIG?!!!!!
Na de dood van mijn ouders bleef ik met twee broers en twee zusters verweesd achter in de ouderlijke woning in Minnertsga. Wij bemoeiden ons weinig met elkaar met uitzondering van broer Sietse, die de boel terroriseerde en met zijn gore poten niet van mijn jongste zusje kon afblijven. Met kerstmis vier jaar geleden was de maat vol en hebben wij hem op zijn zolderkamer overmeesterd en gewurgd. Wij dorsten er geen melding van te maken en hebben hem daar gewoon laten liggen. De timmerman van de woningstichting heeft hem daar vandaag gevonden en we hadden ineens een hoop volk in huis. Mijn jongste zus heeft de heren van koffie voorzien en ik heb de journalist van de Leeuwarder courant te woord gestaan. Ik ben benieuwd wat er morgen in de krant zal staan.
Als medewerkster van de Hema in de Kinkerstraat bericht ik u dat we bij een retour eerst eraan ruiken, dan wat bevoelen, dan doen we de kleurtest, dan kijken we de klant aan, controleren de kassabon, doen wat argwanend, bestuderen de reactie, (mooi als klanten met elkaar in gesprek gaan), we zeggen dan express ‘n wat stekelige opmerking, dan geven we altijd geld terug, en donderen het retour in een grote speciale container onder onze servicedesk.
Als de container vol is gaan ie naar het centrale magazijn in Badhoevedorp. Daar komen de retouren samen van boven de rivieren. Dan komt er inschrijving voor bonafide opkopers die garanderen dat deze spullen nooit terecht gaan komen in het normale verkoopcircuit en dat alle etiketten verwijderd worden.
Meer weten, vraag gerust. We zijn er klaar voor.
Donderdagmiddag, half drie, HEMA Kinkerstraat. Er staan redelijk wat mensen in de rij voor de klantenservicebalie. Het verwondert mij niet, het relaxte ruilbeleid is een van de redenen waarom ik hier graag koop en zo zullen de anderen die hier staan er ook vast over denken.
De rij schuift door en de vrouw voor me legt een paar oorbellen op de toonbank, samen met haar kassabon. Het vet op de bovenarmen van de struise mevrouw die erachter staat, lilt als ze de bon met een geoefend gebaar gladstrijkt. Ze bestudeert hem, doet iets met de barcodelezer en tikt knoppen in op de kassa. Dan wacht ze even en kijkt op. ‘Had u ze gedragen, zei u dat nou?’
‘Neh… nee hoor,’ stamelt de vrouw voor me.
‘Oh,’ is het antwoord, op een toon die niet te raden overlaat dat de mevrouw van de HEMA deze ontkenning niet gelooft.
Ze loopt naar achteren, bespreekt iets met een collega. Als ze terugkomt verdedigt de vrouw van de oorbellen zich nogmaals. Had ik niet gedaan, denk ik nog.
De mevrouw van de HEMA vat de woorden van de vrouw op als een uitnodiging om uit te weiden over haar eigen mening en hoe die in tegenstrijd is met het beleid van haar werkgever. Ik voel mee met de klant. De discussie die volgt is gênant en op het hoogtepunt zegt de medewerkster: ‘Van de HEMA mag u ze terugbrengen maar ik vind het smerig. Ik neem ze terug maar ik hang ze niet terug. Ik schrijf ze af en gooi ze in de prullenbak.’ (more…)
Lang geleden was JdW als journalist in Vietnam. De persdienst in Hanoi had hem een gids toegewezen die iedere stap op de voet volgde, om te voorkomen dat hij, in de ogen van de autoriteiten, stoute dingen zou doen. De gids was een mooie, jonge vrouw. De lelijke ouwe mannetjes kenden namelijk alleen maar Russisch.
Haar standaard reactie op al Jan’s voorstellen was: ‘oh what a pity’.
“Oh wat a pity, daar kunt u vandaag niet heen.”
“Oh what a pity, de minister is niet beschikbaar.”
“Oh what a pity, daar mag u niet aankomen.”
JdW ziet haar nog voor zich. Als hij naar beneden kijkt tenminste, want ze reikte net tot zijn schouder. Om hem op de mond te kunnen kussen moest ze op haar tenen staan. Haar naam was Tanh. Ze droeg een strakke spijkerbroek en had een Amerikaans baseballpetje op haar stevige zwarte haar.
Op een avond - nadat ze het gedaan hadden en tevreden in bed een sigaretje lagen te roken, dat deed je toen nog - vroeg hij wat haar naam betekende. Ze draaide zich naar hem om, keek hem aan met haar donkere ogen en fluisterde: “Die naam heeft mijn vader mij gegeven toen ik nog in mijn moeders buik zat. Het was op het einde van de oorlog en hij was dokter aan het front. Tanh betekent ‘Overwinning’. Oh what a pity … mijn vader heeft Tanh nooit mogen zien.”
Ze draaide zich bruusk om. JdW drukte zich teder tegen haar aan, streelde haar ranke schouders en hoopte dat hij dit ooit allemaal echt mee zou gaan maken. Oh, what a pity.
Lang geleden was JdeW voor het eerst in Vietnam om er wat stukjes over te schrijven. De persdienst in Hanoi had mij daarbij een gids toegewezen die iedere stap op de voet volgde. Uiteraard opdat ik geen, in de ogen van de Vietnamese autoriteiten, stoute dingen zou doen. Het toeval wil dat deze begeleider een heel erg mooie, jonge vrouw was. De oudere gidsen kenden eigenlijk alleen maar Russisch, vandaar. U begrijpt… het kon JdeW niet stout genoeg zijn.
Haar standaard reactie op vrijwel al mijn voorstellen was: ‘oh what a pity’.
“Oh wat a pity, daar kunt u vandaag niet heen.”
“Oh what a pity, de minister is niet beschikbaar.”
“Oh what a pity, daar mag u niet aankomen.”
Ik zie haar nog voor me, ze reikte net tot mijn schouder. Tanh was haar naam. Ze was altijd uitgedost in een spijkerbroek en een Amerikaanse baseballpet. De centrale bank: spijkerbroek; mausoleum van Ho Chi Minh: baseballpet.
Op een avond vroeg ik wat haar naam betekende.
Tanh: “Die naam heeft mijn vader mij gegeven toen ik nog in mijn moeders buik zat. Het was op het einde van de oorlog en hij was dokter aan het front. Tanh betekent ‘Overwinning’. Oh what a pity… mijn vader heeft nooit Tanh mogen zien.”
Het werd gezellig druk aan de eettafel. Eerst kwam mijn elfjarige zoon met de vraag of zijn vriend mocht blijven eten. (Een stoer jochie. Hij leek wijs voor zijn leeftijd, omdat hij nogal klein van stuk was. Daarmee oogstte hij veel succes bij alle vrouwen; jong en oud.) Mijn dochter van achttien nam onverwachts drie vriendinnen mee. Ach, zaterdag; waar vijf eten, kunnen ook negen eten. Het vriendje bevocht zich onmiddellijk een plaatsje naast een van de meisjes.
“Mijn vriend wil altijd dat ik een verhaaltje vertel voor het slapengaan”, zei het meisje quasi wanhopig. “Hij wil alleen van Sneeuwwitje en de zeven dwergen horen, anders valt ie niet in slaap. Maar dat verhaal vindt hij te kort en dat moet ik het steeds opnieuw vertellen. Dus nou laat ik elke dwerg om de beurt hetzelfde zeggen, zo van: ‘Wie heeft er van mijn bordje gegeten?’ ‘Wie heeft er van mijn bordje gegeten?’ ‘Wie heeft er van mijn bordje gegeten?’ ‘Wie heeft er van mijn bordje gegeten?’ ‘Wie heeft er van mijn bordje gegeten?’ ‘Wie heeft er van mijn bordje gegeten?’ ‘Wie heeft er van mijn bordje gegeten?’ En daarna om de beurt: ‘Wie heeft er van mijn bekertje gedronken?’… En zo weer door. Als hij dan nóg niet slapen kan, wil hij dat ik opnieuw begin. Daar word ik nou zó móé van!”
“Dan moet je toch eens wat anders gaan vertellen,” zei het vriendje, “ík zou het wel weten…”
“Oh ja? Jij wel! Wat dan?”
Hij vleide zich tegen haar aan, en zuchtte: “Ali Baba en de veertig rovers…”
“George W. Bush’s memoir is coming out Nov. 9. On the cover, Bush is wearing a dark suit and holding a briefing book with his head slightly turned from the camera, or as Bush calls it, ‘posing all serious-like.
Actually, the book is called ‘Decision Points,’ and 1,000 signed, cloth-bound copies will be sold for $350 each. Each one will say: ‘Thanks for reading about my decisions. Sincerely, Dick Cheney.’” (Jimmy Fallon)
“Is it really a good thing for President Bush to remind us of the decisions he made? I would have just let people forget.” (Jimmy Kimmel)
“Former President Bush is writing his memoir. Writing his autobiography about his eight years in the White House. He’s not done with it yet, but he’s already put up the mission accomplished banner.” (David Letterman)
“Wat daar bijkomt is de diepgewortelde hekel die gelovigen hebben aan spot. Want au fond is het toch tamelijk vreemd: als je zeker bent van de waarheid van iets, dan is het daarmee, zou je zeggen, buiten het bereik van spot. Als je bijvoorbeeld de overtuiging hebt dat de mensen van de apen afstammen, of ik noem maar wat, dat de aarde om de zon draait, dan komt het niet bij je op iemand die het daar niet mee eens is te gaan martelen of op de brandstapel te gooien. Maar gelovigen hebben die impuls wel. In de geschiedenis van de godsdienst kom je het steeds weer tegen als ongeveer de ergste zonde die er is, spotten. In de bijbel, in de Psalmen bijvoorbeeld, wordt voortdurend met spotters afgerekend. De gelovigen haten ze, als ze de kans krijgen zouden ze ze doodmaken; die kans krijgen ze nu bij ons niet meer, maar vroeger deden ze het ook echt.” (Rudy Kousbroek)
Reve: “God is mens geworden, heeft geleden, is gestorven, is opgestaan van de doden en heeft ons verlost, (inclusief zelfs Rudy Kousbroek), en dan is het g(…) nòg niet goed!”
Kousbroek: “Ben jij er bij geweest?”
Reve: “Nee, gelukkig niet, maar God kan toch wel mens worden zonder voorafgaande toestemming van Rudy Kousbroek?”
(uit: Brieven aan Bram P., blz. 7/8, De Bezige Bij, Amsterdam 2003)
“Rudy Kousbroek kan wel een ballonnetje doorprikken, maar een ballonnetje opblazen kan hij niet.” (Bert Schierbeek)
“Kousbroek heeft alleen maar verkeerde boeken gelezen, zogenaamd grappige of opstandige boeken, maar Schopenhauer, Jung of Freud heeft hij niet gelezen. Het is een dwarsligger, die vogel.” (Gerard Reve)
Vandaag had mijn moeder verjaard
als ze nog in leven was.
Mijn lieve moeke was jarig geweest
als ze niet allang dood was.
Op het laatst had ze alleen nog maar pijn
het sterven was voor haar in feite ‘fijn’.
En wat ze schreef op het laatst?
“Nu weet ik wat ‘over lijden’ betekent.”
Zou ik het bijna vergeten. Ik was van de week nog even op het boekenbal.
Omdat ik in Frankrijk nog meer lezers van mijn blog heb dan in Nederland was ik uitgenodigd. Uitgenodigd samen met mijn buurman Alain, tevens beheerder van de lokale bibliotheek (238 boeken en 47 tijdschriften) en de burgemeester van ons dorp, uiteraard.
Het was me een drukte van belang toen wij met onze Renault 4 voor kwamen rijden. Verblind door het vele flitslicht wurmden wij ons naar binnen. Nog nooit zo veel schouderklopjes, knipogen, en hé hallo’s mogen ontvangen.
“Als je boek uit is, kom je dan in mijn programma?” vroeg Wim Brands. En die blonde jongen van van Erkel wilde een documentaire over me maken. Alain kwam met zijn agenda tussen beiden en schreef zo’n beetje alle dagen vol.
“Hier, je weet wel waarom”, zei Jan Siebelink en hij stopte een viooltje in het knoopsgat van mijn revers.
“Hé franse lullo, wanneer gaan we samen kreeft eten”, lalde Herman Koch, ik liet hem verder maar. Ik wist zeker dat ik zijn verkoopcijfers zou vermorzelen. (more…)
Ik zat in de tram en zag aan de overkant twee allochtone jongens uit een snackbar komen. De een droeg een grote tas met zo te zien een gitaar erin, de ander hield twee bakjes patatje oorlog vast. Ze smiespelden onderling, waarschijnlijk over hun kans om de tram nog te halen. Daarvoor moesten ze een drukke rijbaan oversteken. Het lukte en toevallig kwamen ze tegenover mij te zitten. Ze smoesden even en de muzikant van de twee mompelde “sorry” omdat zijn gitaar even tegen mijn onderbeen leunde. Maar die ander: wat een ogen! Wat een blik! Wat een prachtige handen!. Drie haltes verder stapte hij tegelijk met mij uit, na nog even een tikje op de pet van zijn vriend te hebben gegeven. Nu, negen maanden later, is hij de leadzanger van onze band Trash.
Ik krijg een brief van de gemeente dat mijn paspoort verloopt op 1 maart. ‘Service’ noemen we dat wel.
Om het de burger makkelijker te maken dient men zelf een afspraak te regelen, opdat er geen rijen wachtenden ontstaan. Via internet maak ik een afspraak en prik één van de drie data die over zijn; over drie weken.
Ik meld me bij het loket. Mijn gegevens worden ingevoerd en vingerafdrukken worden geregistreerd. Het blijkt dat mijn persoon reeds langzaam aan het vervagen is; de opnames zijn zo wazig, dat alle tien toppen vier keer worden opgenomen teneinde de beste twee te gebruiken. De ambtenares stelt me gerust; het apparaat is al oud (?) en, oh ja hoor, het komt ook veelvuldig bij jongeren voor. Het zal vijf werkdagen duren eer het paspoort gereed is; op 5 maart.
Om het de kiezers makkelijker te maken, kan men nu overal terecht om te stemmen, mits in het bezit van een geldig paspoort. De voor mij dichtstbijzijnde locatie is opgeheven.
Op de vraag of ik een bewijs kan krijgen, zodat ik me kan identificeren, antwoordt de ambtenares dat ik een betaalbewijs krijg, maar… dat is nog geen identiteitsbewijs. (Ze zei niks over een rijbewijs, maar dat terzijde.)
Op dag drie kan ik dus niet naar de stembus, tenminste… wel als ik het dubbele bedrag betaal, dan kan het paspoortproces worden versneld. De Aanslag Gemeentebelastingen was ‘s middags al op de mat geploft, mijn echtgenoot ’s ochtends in een politiefuik.
Omgerekend telt mijn kostbare stem voor… pak ‘m beet: 0,0143% van het totaal aantal stemmen. Maar wat als die verkeerd terechtkomt?
Venijnige kwelzweer op je gevoeligste Orgaan
En daar weer het puntje van
Ik Bedoel Mijn Tong!
Hoe bestaat ‘t?
Wie is de uitvinder?
Wie is zender?
Van deze diabolische kwelling
Het begint met een speldeprikje
Wat ontaardt in kwik tempo tot een rood vlekje
Met een klein wit puntje erin
Maar rap komt de volgende fase
Snel wordt ie helemaal wit, zo’n 3mm doorsnee
En begint al knap pijn te doen
Je spraak raakt er door gestoord
’s Nacht gaat ‘t snerpend zeer doen
Een rode rand komt er om heen
De tongpuist wordt zo’n 4 mm. hobbelrond
Normaal doorslapen is onmogelijk
Het oppervlak van je tong raakt gëirriteerd
Alsof superscherpe speldjes beurteling prikken
Dat gaat dan weer 3 dagen duren
Intussen zijn we al 10 dagen bezig
Met dit vuile irritante kreng
Je gaat je wat ziek/ongemak voelen
Vertelt het maar tegen niemand
Je lijdt in eenzame stilte,
De omgeving van de aft is intussen rood
Wat onregelmatig opgezwollen
Na dagenlang aanhoudende kwelpijn begint de terugtocht
De ergerling verliest terrein
Alles komt weer ogenschijnlijk tot rust
Gewoon lekker doorslapen
Praten zonder bijklank
Een rode vlek herrinnert aan de ellende
Om dan weer pardoes van vooraf aan te beginnen
Met een speldeprikje op je gevoeligste Orgaan….
Maar dan op een andere plekje
Twaalf millimeter naar Rechts
De medische wetenschap weet geen raad
Er is geen afdoend middel of voorzorg tegen
Het was vandaag haar sterfdag. De ouwe rechter zat op het terras, kromgetrokken vingers, zijn stok, waarmee hij vroeger zulke ferme tikken kon uitdelen, naast hem tegen de stoel. Zijn tachtig jaar oude kniebroekje had hij vanochtend voorzichtig uit de doos gehaald. Het was niet veel meer: geroeste gespjes met wat flarden textiel. Hij had het als altijd voor zich op het tafeltje gelegd.
Hij wist wat er komen zou en wachtte. Over het dorpsplein naderde een vrouw op een fiets. Ze leek te zweven. Een stralend licht omhulde haar. Ze nam een paar tafeltjes verderop plaats en lachte hem toe.
De rechter voelde de energie door zijn oude lichaam trekken. Vanuit zijn voeten steeg een heerlijke warmte op, en zijn gezicht lichtte op. Hij was weer het kleine jongetje met de gele bloempjes in zijn knuistjes geklemd.
“Mama (1)!” riep hij uit en struikelde haar tegemoet, “Mama (2), ik heb je zo gemist!” Met een snik boog hij het hoofd. De vrouw stond op en aaide hem over het haar. “Kom jongen”, fluisterde ze zacht, “het is tijd voor het Eindoordeel. Kom maar. Het is klaar”
Samen zweefden ze weg, tot hoog boven het dorpsplein. Zacht rinkelde het metalen gespje. Als een belletje. En het werd weer stil op het plein.
Met een kort telefoontje had hij het gemeld: vandaag was het weer zo’n dag. Daarna zat de jongeman op het terras, zijn twintig jaar oude kniebroekje voelde met het jaar strakker. De nauwe pijpen die nu tot halverwege zijn dijen kwamen, stulpten het vlees tot witte ballonnen. De bretels trokken striemen op zijn schouders en de geroeste gespjes hielden het nog maar net. Hij wist wat er komen zou en wachtte. Over het dorpsplein naderde een vrouw op een fiets die ze stalde bij het terras. Ze was groot, maar keurig in haar mantelpak. Haar grijze haar was in een soepele watergolf en haar lippen zorgvuldig en rood gestift. Een paar tafeltjes van de jongeman nam ze plaats en bestelde een muntthee. Met extra blaadjes. Na een poosje voelde de jongeman hoe de geroeste gespjes zich nu tot het uiterste spanden. Plots veerde hij op en griste de gele bloempjes uit het iele vaasje voor hem. Struikelend over zijn omgevallen stoel graaide hij ook de bloemen uit een andere vaas. En nog een. Stram door het korset van zijn kniebroekje liep hij naar de vrouw, zijn beide handen met de bloemen voor zich uitgestrekt.
“Mama” stamelde hij. “Mama (1).”
De vrouw keek op en wierp toen pardoes haar lauwe thee in zijn gezicht. Als eendenkroost hingen de muntblaadjes in zijn haar. Druipend stond hij daar toen zijn rechterbretel het met een droge tik begaf. Met een snik boog hij het hoofd. Vermoeid stond de vrouw op. Met één hand nam ze de grijze pruik af, met de rug van de andere veegde ze haar lippenstift tot een rode streep. “Dit was de laatste keer jongen. Ik kan je ook niet meer op de fiets nemen.”
- “Ja papa.” fluisterde de jongeman, terwijl zijn kniebroek scheef rond zijn middel spande.
- “Mama was toen gewoon naar tante Ans, dat weet je.”
- “Ja papa.”
- “Ze wacht nu thuis met de boender en de tobbe.”
En wijzend naar het T-shirt van de jongeman: “Die tekst, daar moet je ook iets anders voor bedenken.”
Samen liepen ze weg, de fiets aan de hand. De kapotte bretel sleepte over het dorpsplein, zacht rinkelde het metalen gespje. Op zijn shirt lazen wij: “bloemisterij De Sloot Ruiker.” Daar zou hij wat anders voor gaan bedenken.
Mama is al een paar weken weg. Niemand weet waar ze is. Bij tante? In het ziekenhuis? Een inrichting? Mijn papa kijkt alleen maar in de verte en glimlacht als ik het hem vraag. Mijn zusje steekt alleen maar haar tong naar me uit. En de poes? De poes zegt niks. Ik mis haar zo. Ik mag bij niemand op schoot. Papa leest ’s avonds in bed lang niet zo leuk voor als mama. En hij zingt geen liedje. Het lijkt wel of hij ergens anders aan denkt.
Misschien is ze wel boos op mij! Het voelt ineens alsof mijn keel nog maar een klein spleetje is. Ik kan bijna niet meer ademen. Mama komt niet meer terug, omdat ze mij niet lief meer vindt!
Maar dan ga ik toch bloemetjes plukken? Bij de sloot? En dan ga ik haar zoeken!
Oh, wat zal ze dit mooi vinden. Ik heb allemaal gele, haar lievelingskleur. Daar! Die hele lange, die wil ik ook nog! Ik buig me voorover en … val dan languit in de sloot. In het kroos. Ik sla wild om me heen. Het stinkende water zit in mijn neus, en ik spuug het uit mijn mond. Ik voel sterke handen onder mijn oksel. Ik kijk op.
Het is papa. Hij is niet boos en hij zet me op zijn fiets. Ik ril van de kou. Het eendenkroos druipt op de grond. We fietsen door het dorp. Dat iedereen me aankijkt kan me niet schelen. Ik sla mijn armen stijf om papa heen. Het bosje bloemen, helemaal nat, klem ik nog in mijn hand.
“Waar gaan we naar toe, papa?” vraag ik verbaasd als we het dorp uitrijden.
“Naar mama, jongen”, zegt hij met een vreemde stem. “We gaan je bloemen naar mama brengen”.
Dan, bij de kerk, stapt hij af en hij zet zijn fiets tegen de muur. Hij duwt de smeedijzeren, piepende poort open van de begraafplaats.
Ik zit in de taxi. Op weg naar misschien wel de meest belangrijke date van mijn leven. North Sea Jazz. Hij komt uit Amsterdam. Ik uit Delft. We kennen elkaar van de middelbare school. Waren beiden voor elkaar de ‘eerste’. Het was echte liefde volgens mij. Maar dat wist je toen nog niet. Beiden met iemand anders getrouwd en elkaar twintig jaar niet meer gezien. Op een schoolreunie waren we weer met elkaar in contact gekomen. Zijn vrouw overleden. Ik (gelukkig) gescheiden.
We hebben afgesproken elkaar in het Congrescentrum te ontmoeten, bij de jassen. Dan hoeven we niet buiten in het gedrang voor de kassa te wachten.
“Mam!” had mijn dochter verbaasd geroepen, “je gaat toch niet met een taxi naar Den Haag?” Ik had haar alleen maar aangekeken. Dit is belangrijk, straalde ik uit. Ze keek bewonderend en ineens begrijpend naar mijn nieuwe kapsel, jas, laarsjes … en omhelsde me. “Ga d’r voor”, fluisterde ze, “je hebt het zo verdiend!”
Het Congresgebouw komt in zicht. Toeterende auto’s, piepende trams, voortschuifelende voetgangers, allemaal in dezelfde richting. Een avondje uit voor de meesten. Voor mij veel meer.
“Hoeveel krijgt u van me?” vraag ik dromerig aan de chauffeur. “Oooooooohhhhhh!!!!” Ik voel me draaierig worden. Mijn kaartje!!! Ik zie het thuis nog voor de spiegel liggen. (more…)
-Mama is een paar daagjes weg. DSR mist haar.
-Voor wanneer ze thuiskomt, wil hij bloempjes plukken.
-Papa waarschuwt nog: “kijk uit voor die sloot!”, maar het was al te laat.
-Papa grijpt DSR bij zijn lurven, hijst hem in een haal op het droge en zet hem achter op de fiets terwijl het eendenkroos nog uit zijn oren druipt.
-DSR ervaart, klein als hij was, diepe schaamte terwijl ze langs een vol dorpsplein fietsen.
-DSR brult als een varken (biggetje) maar wordt bij thuiskomst toch schoongeschrobt met de platte boender in de tobbe.
-Papa denkt er helaas niet aan zijn DSR’s mini-kniebroekje met ijzeren gespjes goed te drogen. Die zijn een paar dagen later verroest.
-Dus wie denk je dat ‘r uiteindelijk op z’n kop kreeg?
Een kussengevecht met de kinderen in huize JANdeWIT ontspoorde dit weekeinde dusdanig dat JdeW zich op een bepaald moment genoodzaakt voelde er een einde aan te maken. Aan het gevecht dan. Dat maakte dochter Bi (7), die erg van vechten houdt, nogal verdrietig. Zo verdrietig dat ik na tien minuten naar haar toeging en vroeg hoe het ging.
In het Engels.
“Are you ok Bi?”
“No”, zei ze, “I’m not ok.”
“Why is that Bibi?”
En toen gebruikte de zevenjarige een uitdrukking die ik bij ons thuis nog nooit heb gehoord.
“Because, dad… you hurt my feelings.” Zomaar uit het niets. Schrikken natuurlijk.
“Wow that’s not good. I really don’t want to hurt your feelings Bi, because you know… I love your feelings very much.”
“Well you did.” En, alsof ze zag dat het diepe indruk maakte, voegde ze er aan toe.
“And dad I will tell you… you hurt my feelings every day.”
“Whaat… every day?”
“Yes dad, every day.”
“That’s not good. So tell me what can I do about it.” Na enig nadenken.
“Well dad, you have to change.”
“Really Bibi and what do I have to change?”
“Everything dad, you have to change everything.”
Dus mensen als er dagen zijn dat u wat vreemd tegen dit blog aankijkt, schrik dan niet.
JdeW is aan het veranderen!
Vooruitgang bestaat niet, en dat is maar goed ook, want zoals het is, is het al erg genoeg.
Gerard Reve